Studentensyndroom
Herkomst van de theorie
Het is al door de hele geschiedenis bekend, dat studenten (en niet alleen zij) pas op het laatste moment hard beginnen te werken. Klikspaan (Studentenleven, 1844) heeft het er al over. Aan de universiteit van Leiden promoveerden in 1987 Van der Drift en Vos (Anatomie van een leeromgeving)op het verschijnsel en op manieren om het te vermijden.
De Israƫlische businessconsultant Eliyahu Goldratt heeft, in zijn theorie over de Critical Chain voor het eerst het studentensyndroom toegepast op de werkomgeving en, in het bijzonder, projecten.
Kern van de theorie
In de wereld van projectmanagement, en in het bijzonder van projectplanning, refereert het studentensyndroom aan het feit dat de meeste mensen (en vooral studenten) pas aan een taak beginnen als het opleverpunt van de taak in zicht is. Dit verschijnsel veroorzaakt verspilling van aanwezige tijdsreserves (buffers) met als gevolg spanning/haast en mogelijkerwijs overschrijdingen van de opleverdatum of concessies aan de kwaliteit.
Gebruik van de theorie
De inzicht in het studentensyndroom kan worden toegepast bij het plannen van alle activiteiten in een project: Laat een activiteit niet te laat beginnen; geef geen mogelijkheid tot het gebruik van de "float" van een activiteit. Het syndroom geeft aan dat een te laat begin risico's meebrengt aan de einddatum en/of de kwaliteit van de werkzaamheden binnen een project.
Methoden om het studentensyndroom aan te pakken lijken veel op de methoden die Vos en Van der Drift al aanbevelen: werk met korte deadlines en zet mensen van meet af aan onder druk. De centrale gedachte van Goldratt om af te stappen van speling binnen een activiteit en alleen buffers op te nemen op centrale punten hangt hier mee samen
Samen met het de Wet van Parkinson en multi-tasking behoort het studentensyndroom tot de belangrijkste valkuilen in het projectplanningsproces.
